oli4#1 · 2004-05-19 12:25
In het kader van 'ik laat maar eens iets van me horen' post ik hier een drietal stukjes van mijn hand. Een over antisemitisme (voor Elsevier) en twee over voetbal (voor Het Parool), om maar een beetje aan te sluiten bij de interessegebieden van de Floraboys. De eerste (over Monaco) verschijnt waarschijnlijk zaterdag en ligt nog niet bij de krant, dus ik sta nog open voor suggesties of opbouwende dan wel afkrakende kritiek.
Topclub zoekt supporters
Intro: De Sportvereniging Monaco speelt woensdag tegen Porto de finale van de Champions League. Toen Ajax dat in 1995 en 1996 overkwam, kon het geen bezoeker ontgaan dat Amsterdam in de ban was van zijn club. In het piepkleine prinsdom aan de Middellandse Zee is voetbal ondanks de topprestaties niet meer dan een bijzaak. En niet eens een belangrijke.
Sinds enkele weken is het ministaatje Monaco nog drukker dan anders. Morgen racen Michael Schumacher en zijn concurrenten in hun bolides door de straten van de chique buurt Monte Carlo, op jacht naar de overwinning in de beroemde jaarlijkse Grand Prix. De voorbereidingen voor de enige Formule-1-wedstrijd middenin een stadscentrum nemen veel tijd in beslag. In de jachthaven en langs de straten met luxewinkels rond het casino liggen al wekenlang stapels rubber banden, voor hekwerken en hoge, speciaal opgebouwde tribunes. Souvenirwinkels beconcurreren elkaar met Ferrari-shirts en andere autoraceproducten.
Drie dagen later speelt de plaatselijke voetbalclub, lAssociation Sportive de Monaco, de hoofdrol in een nog belangrijker sportevenement, de finale van de Champions League, die gespeeld wordt in het Duitse Gelsenkirchen. Behalve een schaarse poster en een enkele sjaal in winkelvitrines toont het stadsbeeld weinig aanmoedigingen voor de club van het prinsdom, die zijn wedstrijden afwerkt in de Franse competitie. Een groot deel van de dertigduizend bewoners resideert slechts in Monaco om de hoge belastingen in eigen land te ontvluchten en voelt weinig betrokkenheid bij lokale aangelegenheden en vaak al helemaal niet bij voetbal.
Alleen de offici\ële clubwinkel aan de Rue Grimaldi kent een grotere toeloop dan in voorgaande jaren. We verkopen meer dan twee keer zoveel T-shirts en sjaals als voorheen, zegt de boetiekhouder. Maar voetbal leeft nog steeds nauwelijks in Monaco, geeft hij toe: De club heeft geen supporters.
Een paar honderd meter ten westen van Monte Carlo, in de minder beroemde wijk Fontvieille, staat het onopvallende, maar fraaie voetbalstadion Louis-II, genoemd naar de voorganger van de huidige prins van Monaco, Rainier III. Het multifunctionele stadion met sportfaciliteiten en veel bureauruimte is goed ge\ïntegreerd in de buurt: het kan een nietsvermoedende voorbijganger gemakkelijk ontgaan dat in het gebouw naast hem de afgelopen maanden sterrenteams zijn verslagen als Real Madrid (3-1), Chelsea (3-1) en Deportivo La Coruña (8-3). PSV was de enige Europese tegenstander die er niet verloor (1-1).
Het stadion biedt plaats aan ruim 18.000 toeschouwers, maar die zitten er zelden. Bij een gemiddelde competitiewedstrijd zit het halfvol meestal heeft De Graafschap in Doetinchem meer bezoekers en zelfs tijdens grote Europacupwedstrijden geeft de club gratis kaarten weg aan schoolkinderen uit de buurt om het stadion op te vullen. Ook lage prijzen helpen niet: ondanks een aanbieding vorige week met kaarten vanaf twee euro zagen slechts tienduizend mensen hun team in de laatste thuiswedstrijd tegen Rennes. Die ging met 1-4 verloren, waardoor Monaco het kampioenschap definitief verspeelde aan Lyon.
Als een voetballer het geluk heeft te mogen spelen voor AS Monaco, moet hij zich als een bevoorrecht mens beschouwen, zegt oud-speler Rolland Courbis in de Petite encyclop\édie de lAS Monaco, een boek vol verhalen en feiten over de club. Hij vervolgt: Hij heeft geen recht om te klagen, zelfs niet over de afwezigheid van publiek, want hij kent de situatie. Wat kan hij zich nog meer wensen? Dat de club ook twintigduizend supporters koopt?
Norbert Siri, de schrijver van de encyclopedie, vindt dat het wel meevalt met de bezoekersaantallen. Monaco en het aangrenzende stedelijk gebied hebben ongeveer honderdduizend inwoners, zegt hij. Van hen bezoekt een tiende het stadion: dat is best aardig.
Door het gebrek aan voetbalgekte in het prinsdom kijken veel Franse spelers en voetballiefhebbers neer op de club, die beschouwd wordt als een soort speeltje van de schatrijke prins Rainier en de laatste jaren vooral van zijn zoon, kroonprins Albert. Zonder de wil van de prinsen, zou de voetbalclub niet langer bestaan, bevestigt Siri.
De goede salarissen en de aangename leefomstandigheden wegen volgens de sceptici niet op tegen het gebrek aan sfeer. Zij zagen lachend aan hoe AS Monaco vorig jaar op een haar na werd teruggezet naar de tweede divisie, omdat de club zijn schuld van officieel 53 miljoen euro (vermoedelijk zelfs meer) niet kon betalen, toen de prinsen wegens een verbod op overheidssteun de clubkas niet langer mochten spekken. Het investeringsbedrijf Fedcominvest, dat volgens het Franse weekblad LExpress niet uitblinkt in doorzichtige bedrijfsvoering, redde het team uiteindelijk van de afgang. Er doen ook geruchten de ronde dat prins Albert de club toch weer steunde, via een slimme financi\ële constructie. In ieder geval had Monaco aan het begin van de competitie weer genoeg geld om het riante salaris van de gehuurde Madrileen Fernando Morientes te betalen.
Monaco is echter geen club die uitsluitend voor grote bedragen goede spelers overneemt. Vriend en vijand erkennen de kwaliteit van de jeugdopleiding, die vijf Franse wereldkampioenen van 1998 voortbracht: Thierry Henry, David Trezeguet, Lilian Thuram, Youri Djorkaeff en Emmanuel Petit.
Volgens Siri hebben de recente prestaties ertoe geleid dat de club eindelijk ook buiten Monaco waardering oogst. In de uitwedstrijd tegen het Noord-Franse Lens na de overwinning op Real Madrid kregen de spelers bij binnenkomst een luid applaus van het sportieve publiek van de tegenstanders. Siri had kippenvel.
Zelf is hij een van de vijfduizend echte Monegasken. Sinds een kleine veertig jaar bezoekt hij vrijwel iedere wedstrijd van zijn club en verzamelt hij alle gegevens. Twee van zijn landgenoten speelden ooit bij de club, net als drie Nederlanders (Gerrit Vreken, Bert Carlier en Wim Suurendonk), maar geen van hen maakte een grote indruk.
Toen we PSV verslagen hadden in Eindhoven, wist ik dat we tot grootse prestaties in staat waren dit seizoen, zegt hij over de zegereeks in de Champions League. De meest intense voetbalavond die hij ooit meemaakte was ook in Nederland, in de Rotterdamse Kuip. Nog steeds is hij onder de indruk van het helse lawaai. De Monegasken bereikten die avond tegen Feyenoord de finale van de (niet meer bestaande) Europacup voor Bekerwinnaars, na een zwaarbevochten gelijkspel (2-2). De eindstrijd ging verloren tegen Werder Bremen.
Woensdag speelt AS Monaco zijn tweede Europese finale. Als Morientes en zijn maten winnen, is de club na Olympique Marseille in 1993 de tweede Franse club die het belangrijkste Europese clubtoernooi wint. In het prinsdom zullen slechts weinigen er wakker van liggen.
Keppeltje onder de pet
Eind vorige maand gingen minister Nicolas Sarkozy van Economie (tot eind maart van Binnenlandse Zaken) en leden van de socialistische fractie bijna op de vuist in het Franse parlement. De minister kwam net terug uit de Verenigde Staten, waar joodse organisaties hem bedankt hadden voor zijn vastberaden strijd tegen het antisemitisme. Dat had mijn socialistische voorganger niet voor elkaar gekregen, zei hij uitdagend: Na vijf jaar links bewind (1997-2002) dacht men in de VS dat Frankrijk een antisemitisch land was. De socialisten reageerden woedend, verhieven zich van de banken en omringden Sarkozy om excuses te eisen, die ze niet kregen.
Of het de schuld is van laks socialistisch optreden of niet, het aantal jaarlijkse anti-joodse daden en bedreigingen is volgens cijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken sinds 2000 sterk gestegen. Daarvoor werden hoogstens twintig antisemitische acties per jaar geregistreerd en gemiddeld honderd bedreigingen. De afgelopen jaren verveelvoudigde dat aantal (zie grafiek). Van alle racistische en xenofobe daden was 72 procent in 2003 gericht tegen joden.
De aard van de anti-joodse acties loopt sterk uiteen: grafschennis met hakenkruizen, zoals begin deze maand op een Isra\ëlitische begraafplaats in de Elzas, een brand op een joodse school eind vorig jaar en vooral dagelijkse pesterijen. Leerlingen noemen hun joodse klasgenoten steeds vaker sale juif (vuile jood), waardoor veel joden zich minder veilig voelen, zelfs in goede buurten. In het chique zesde arrondissement van Parijs schreeuwden kinderen die kreet recentelijk naar een klasgenoot, waarna ze hem omver schopten in een regenplas en riepen: Alle joden moeten worden uitgeroeid. Verder verlieten voetballers in Straatsburg onlangs hun team, omdat hun medespelers joods waren en weigerde een Parijzenaar in een elektronicawinkel de service van een joodse medewerker.
Een vorig jaar opgericht interministerieel comit\é voor de strijd tegen racisme en antisemitisme moet meer geweld voorkomen, vooral door betere voorlichting. Eerder al stelde de regering hogere straffen in voor anti-joods geweld.
Frankrijk kent een lange, veelbewogen geschiedenis van antisemitisme. Rond 1900 was de intellectuele elite en een groot deel van de maatschappij verdeeld in twee kampen, dreyfusards en antidreyfusards: zij die de joodse kapitein in het Franse leger Alfred Dreyfus steunden en overtuigd waren van zijn onschuld, en zij die tegen hem waren, omdat ze dachten dat hij een spion was voor de vijandige Duitse regering. Of simpelweg omdat hij joods was, schuldig of niet. Twaalf jaar na de beschuldiging, onder meer na een vlammend pleidooi van de schrijver Emile Zola (Jaccuse), erkenden de autoriteiten de onschuld van de kapitein.
Het antisemitisme bleef tot de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid, waarna het logischerwijs sterk in invloed afnam. Eind jaren tachtig echter verklaarde Jean-Marie Le Pen van het toen al succesvolle Front National dat de gaskamers een detail van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog waren en opende zo de weg voor de n\égationnistes, de holocaustontkenners.
Frankrijk schrok pas echt wakker in 1990, toen een groep skinheads grafschennis pleegde op een joodse begraafplaats in het zuidelijke Carpentras. Het land toonde zijn walging met een megademonstratie in Parijs, waarin president Fran\çois Mitterrand meeliep.
De Raad voor Joodse Instellingen (CRIF) betreurt dat bij de recente grafschennis geen gelijksoortige verontwaardiging plaatsvond en ziet dat als teken van banalisering van antisemitisme. De huidige opleving is vooral het werk van fundamentalistische moslims. Extreem-rechts nam in 2002 slechts 9 procent van het anti-joodse geweld voor zijn rekening.
Frankrijk heeft zowel de grootste moslimgemeenschap van West-Europa (vier \à vijf miljoen) binnen zijn grenzen als het grootste aantal joden (600 duizend). Veel analisten spreken van de import van het conflict in het Midden-Oosten. De toename van het antisemitische geweld in 2000 valt samen met de verheviging van de strijd tussen Isra\ëli\ërs en Palestijnen. Sommige jongeren van Arabische origine die zich niet ge\ïntegreerd voelen in de Franse samenleving, identificeren zich met de strijd van de onderdrukten, zegt woordvoerder Marc Knobel van de CRIF.
Hoewel beelden van brandende scholen en graven met hakenkruizen veel indruk maken, nam het geweld volgens de cijfers vorig jaar af. Knobel gelooft echter niet in die daling. Hij denkt dat de toegenomen angst veel joden ervan weerhoudt aangifte te doen. Zijn raad heeft een gratis telefoonnummer beschikbaar gesteld voor anonieme klachten, waaruit volgens Knobel blijkt dat het geweld niet afneemt. Slachtoffers denken vaak dat het geen zin heeft naar de politie te gaan, omdat de dader toch niet gepakt wordt, zegt hij. Of ze zijn bang voor represailles. Hij vindt het hoogst symbolisch dat de opperrabbijn van Parijs joodse leerlingen vroeg hun keppeltje te bedekken met een pet voor ze op school zijn, om niet te provoceren.
Ook onder de brede vlag van de antiglobalisten en bij aanhangers van extreemlinks bevinden zich antisemieten. Pierre-Andr\é Taguieff, schrijver van La nouvelle jud\éophobie, zegt in een interview met het weekblad Le Point dat vooral trotskisten, die in Frankrijk redelijk invloedrijk zijn, vatbaar zijn voor de stroming. Zij scharen zich aan de kant van de islam, die zij zien als de religie van de onderdrukten. De oorlog in Irak beschouwen ze als am\éricano-sioniste.
In het verlengde daarvan wijst de filosoof Alain Finkielkraut in het vorig jaar verschenen Au nom de lAutre (In naam van de Ander) op een nieuwe vorm van het antisemitisme, dat niet langer nationalistisch van aard is, maar voortkomt uit antiracisme. Volgens Finkielkraut tolereerden aanvankelijk vooral (extreem-)linkse, maar nu ook rechtse politici, antisemitische moslims, uit politiekcorrecte overwegingen. In die redenering is een moslim volgens de Fransen de engelachtige Ander, die per definitie nooit ongelijk heeft, omdat dat racistisch zou zijn. Dat wil de regering voorgoed veranderen.
Voetbal en maffia
Intro: Moorden, zwartgeldaffaires en een ramp door een ingestorte tribune kenmerken de recente geschiedenis van de Corsicaanse voetbalclub SC Bastia. Gevoetbald wordt er ook, soms niet onverdienstelijk, maar zelfs een finaleplaats in de Franse beker kreeg een donker randje.
Met weemoed denken oude Bastia-supporters terug aan hun team van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. In de lente van 1978 werd in het Corsicaanse stadionnetje met bijna vijftienduizend toeschouwers (de helft van de bevolking) een heuse Europacupfinale gespeeld. De Franse eredivisionist met de Nederlandse sterspeler Johnny Rep in de gelederen speelde 0-0 gelijk tegen PSV, maar verspeelde de Uefa-beker in Eindhoven (3-0). Toch werden de spelers terug op het eiland als helden ontvangen. Drie jaar later veroverden de Corsicanen de enige hoofdprijs uit de clubgeschiedenis: de Franse beker.
Sinds ruim tien jaar komen sportieve prestaties echter steeds vaker op de tweede plaats. De club, nauw verbonden met de Corsicaanse onafhankelijkheidsbeweging en de maffia (vaak lastig van elkaar te onderscheiden), is het toneel van afrekeningen en affaires.
Sinds vorig jaar stelt de Franse justitie alles in het werk om een einde te maken aan de parallelle wereld op het eiland. Na de arrestatie van Charles Pieri en enkele andere nationalistische sleutelfiguren, kwamen steeds meer duistere praktijken aan het licht. De supportersvereniging Testa Mora, genoemd naar het zwarte hoofd op de Corsicaanse vlag dat vroeger groot stond afgedrukt op de clubshirts, eiste onlangs een andere werkwijze en een nieuwe leiding.
Het zwarte hoofdstuk begon al in 1992, toen SC Bastia voor het eerst sinds tien jaar weer eens schitterde en in de halve finale van de Franse beker aan moest treden tegen Olympique Marseille. De clubleiding vond extra inkomsten uit kaartverkoop belangrijker dan de veiligheid van de toeschouwers en liet in \é\én nacht een extra tribune opbouwen. Die stortte vlak voor de aftrap in, wat leidde tot achttien doden en ruim tweeduizend gewonden: de grootste ramp uit de Franse voetbalgeschiedenis.
Een jaar later, zo bleek uit recente verklaringen van oud-clubvoorzitter Fran\çois Nicola\ï, gooide de club het over een andere boeg om aan geld te komen. Hij vertelde hoe de nationalisten hem buiten zijn weten om gebruikten voor een sponsorcontract met de reisorganisatie Nouvelles Fronti\ères. Nadat de nationalisten aanslagen hadden gepleegd op agentschappen van het bedrijf in Parijs, Marseille en op Corsica, stelde Nicola\ï de reisdirecteur voor zijn voetbalclub te sponsoren. Die begreep dat het beter was daarop in te gaan, als hij voortaan rust wenste voor zijn organisatie.
Het kwam niet alleen tot een overeenkomst voor shirtsponsoring (die nog steeds geldt), maar Nouvelles Fronti\ères kocht ook meteen voor 122.000 euro advertentieruimte in U Ribombu, een nationalistisch tijdschrift dat terroristen verheerlijk als goede patriotten. Om daarvan af te komen (toch wel schadelijk voor het imago), moest de reisorganisatie de afgesproken som direct in de partijkas van SC Bastia storten. Nicola\ï zal nog de nodige moeite krijgen om zijn onwetendheid te verklaren.
In dezelfde periode barstte op Corsica een nationalistische broederstrijd uit, waarin de onafhankelijkheidsstrijders het belangrijker achtten elkaar bestreden dan de (in hun ogen) Franse kolonisator. Ook bij de voetbalclub vielen slachtoffers. Een verdediger, betrokken bij een nationalistische beweging, verdween eind 1993 op mysterieuze wijze: na een telefoontje met zijn vriendin is nooit meer iets van hem vernomen. En ex-voorzitter Jean-Fran\çois Filippi, afgetreden na de stadionramp, werd doodgeschoten.
Eind jaren negentig was het even iets rustiger en in 2001 haalde Bastia zowaar opnieuw de finale van de Franse beker. Ge\ïnspireerd door Algerijnse supporters enkele maanden eerder, floten de Corsicanen in de Parijse voetbaltempel Stade de France het Franse volkslied uit. President Jacques Chirac verliet woedend zijn zetel, waar hij pas terugkeerde na excuses van de voorzitter van de voetbalbond. Volgens Didier Rey, die een boek schreef over voetbal en nationalisme op Corsica, was Chiracs reactie overdreven. De supporters zijn volgens hem geen overtuigde onafhankelijkheidsstrijders, maar lieten zich deze gemakkelijke kans tot provocatie niet ontgaan. Bastia verloor de finale overigens van het zwakke Lorient, dat vlak daarvoor uit de Franse eredivisie degradeerde.
De afgelopen twee jaar ging het opnieuw fout. Eerst sloot de club in 2002 een dubieus contract met een schoonmaakbedrijf. Justitie vermoedt dat het bedrijf zijn werk niet heeft uitgevoerd en vraagt zich af wat de echte bestemming is van de 25000 euro die het ontving.
Bovendien stellen de rechters in Parijs grote vraagtekens bij de overname van middenvelder Micka\ël Essien door Olympique Lyon. Pieri, die bij zijn arrestatie een grote som geld op zak had, bemoeide zich er persoonlijk mee. Het tijdschrift LExpress suggereert dat hij mogelijk een deel van de commissie op de transfersom opeiste.
Terwijl op de clubsite met geen woord gerept wordt over de problemen, gaan de wedstrijden in het stadion Armand-Cesari gewoon verder. Sinds december al staan de Corsicanen stabiel op de dertiende plaats, redelijk ver van de degradatiezone, en in maart boekten ze een succesje door Olympique Marseille met 4-1 te verslaan. Het verhult de malaise niet: het toeschouwersaantal (maximaal zesduizend) neemt af en de supporters van Testa Mora waarschuwen de leiding dat het voortbestaan van hun club op het spel staat, als het roer niet snel omgaat.
Topclub zoekt supporters
Intro: De Sportvereniging Monaco speelt woensdag tegen Porto de finale van de Champions League. Toen Ajax dat in 1995 en 1996 overkwam, kon het geen bezoeker ontgaan dat Amsterdam in de ban was van zijn club. In het piepkleine prinsdom aan de Middellandse Zee is voetbal ondanks de topprestaties niet meer dan een bijzaak. En niet eens een belangrijke.
Sinds enkele weken is het ministaatje Monaco nog drukker dan anders. Morgen racen Michael Schumacher en zijn concurrenten in hun bolides door de straten van de chique buurt Monte Carlo, op jacht naar de overwinning in de beroemde jaarlijkse Grand Prix. De voorbereidingen voor de enige Formule-1-wedstrijd middenin een stadscentrum nemen veel tijd in beslag. In de jachthaven en langs de straten met luxewinkels rond het casino liggen al wekenlang stapels rubber banden, voor hekwerken en hoge, speciaal opgebouwde tribunes. Souvenirwinkels beconcurreren elkaar met Ferrari-shirts en andere autoraceproducten.
Drie dagen later speelt de plaatselijke voetbalclub, lAssociation Sportive de Monaco, de hoofdrol in een nog belangrijker sportevenement, de finale van de Champions League, die gespeeld wordt in het Duitse Gelsenkirchen. Behalve een schaarse poster en een enkele sjaal in winkelvitrines toont het stadsbeeld weinig aanmoedigingen voor de club van het prinsdom, die zijn wedstrijden afwerkt in de Franse competitie. Een groot deel van de dertigduizend bewoners resideert slechts in Monaco om de hoge belastingen in eigen land te ontvluchten en voelt weinig betrokkenheid bij lokale aangelegenheden en vaak al helemaal niet bij voetbal.
Alleen de offici\ële clubwinkel aan de Rue Grimaldi kent een grotere toeloop dan in voorgaande jaren. We verkopen meer dan twee keer zoveel T-shirts en sjaals als voorheen, zegt de boetiekhouder. Maar voetbal leeft nog steeds nauwelijks in Monaco, geeft hij toe: De club heeft geen supporters.
Een paar honderd meter ten westen van Monte Carlo, in de minder beroemde wijk Fontvieille, staat het onopvallende, maar fraaie voetbalstadion Louis-II, genoemd naar de voorganger van de huidige prins van Monaco, Rainier III. Het multifunctionele stadion met sportfaciliteiten en veel bureauruimte is goed ge\ïntegreerd in de buurt: het kan een nietsvermoedende voorbijganger gemakkelijk ontgaan dat in het gebouw naast hem de afgelopen maanden sterrenteams zijn verslagen als Real Madrid (3-1), Chelsea (3-1) en Deportivo La Coruña (8-3). PSV was de enige Europese tegenstander die er niet verloor (1-1).
Het stadion biedt plaats aan ruim 18.000 toeschouwers, maar die zitten er zelden. Bij een gemiddelde competitiewedstrijd zit het halfvol meestal heeft De Graafschap in Doetinchem meer bezoekers en zelfs tijdens grote Europacupwedstrijden geeft de club gratis kaarten weg aan schoolkinderen uit de buurt om het stadion op te vullen. Ook lage prijzen helpen niet: ondanks een aanbieding vorige week met kaarten vanaf twee euro zagen slechts tienduizend mensen hun team in de laatste thuiswedstrijd tegen Rennes. Die ging met 1-4 verloren, waardoor Monaco het kampioenschap definitief verspeelde aan Lyon.
Als een voetballer het geluk heeft te mogen spelen voor AS Monaco, moet hij zich als een bevoorrecht mens beschouwen, zegt oud-speler Rolland Courbis in de Petite encyclop\édie de lAS Monaco, een boek vol verhalen en feiten over de club. Hij vervolgt: Hij heeft geen recht om te klagen, zelfs niet over de afwezigheid van publiek, want hij kent de situatie. Wat kan hij zich nog meer wensen? Dat de club ook twintigduizend supporters koopt?
Norbert Siri, de schrijver van de encyclopedie, vindt dat het wel meevalt met de bezoekersaantallen. Monaco en het aangrenzende stedelijk gebied hebben ongeveer honderdduizend inwoners, zegt hij. Van hen bezoekt een tiende het stadion: dat is best aardig.
Door het gebrek aan voetbalgekte in het prinsdom kijken veel Franse spelers en voetballiefhebbers neer op de club, die beschouwd wordt als een soort speeltje van de schatrijke prins Rainier en de laatste jaren vooral van zijn zoon, kroonprins Albert. Zonder de wil van de prinsen, zou de voetbalclub niet langer bestaan, bevestigt Siri.
De goede salarissen en de aangename leefomstandigheden wegen volgens de sceptici niet op tegen het gebrek aan sfeer. Zij zagen lachend aan hoe AS Monaco vorig jaar op een haar na werd teruggezet naar de tweede divisie, omdat de club zijn schuld van officieel 53 miljoen euro (vermoedelijk zelfs meer) niet kon betalen, toen de prinsen wegens een verbod op overheidssteun de clubkas niet langer mochten spekken. Het investeringsbedrijf Fedcominvest, dat volgens het Franse weekblad LExpress niet uitblinkt in doorzichtige bedrijfsvoering, redde het team uiteindelijk van de afgang. Er doen ook geruchten de ronde dat prins Albert de club toch weer steunde, via een slimme financi\ële constructie. In ieder geval had Monaco aan het begin van de competitie weer genoeg geld om het riante salaris van de gehuurde Madrileen Fernando Morientes te betalen.
Monaco is echter geen club die uitsluitend voor grote bedragen goede spelers overneemt. Vriend en vijand erkennen de kwaliteit van de jeugdopleiding, die vijf Franse wereldkampioenen van 1998 voortbracht: Thierry Henry, David Trezeguet, Lilian Thuram, Youri Djorkaeff en Emmanuel Petit.
Volgens Siri hebben de recente prestaties ertoe geleid dat de club eindelijk ook buiten Monaco waardering oogst. In de uitwedstrijd tegen het Noord-Franse Lens na de overwinning op Real Madrid kregen de spelers bij binnenkomst een luid applaus van het sportieve publiek van de tegenstanders. Siri had kippenvel.
Zelf is hij een van de vijfduizend echte Monegasken. Sinds een kleine veertig jaar bezoekt hij vrijwel iedere wedstrijd van zijn club en verzamelt hij alle gegevens. Twee van zijn landgenoten speelden ooit bij de club, net als drie Nederlanders (Gerrit Vreken, Bert Carlier en Wim Suurendonk), maar geen van hen maakte een grote indruk.
Toen we PSV verslagen hadden in Eindhoven, wist ik dat we tot grootse prestaties in staat waren dit seizoen, zegt hij over de zegereeks in de Champions League. De meest intense voetbalavond die hij ooit meemaakte was ook in Nederland, in de Rotterdamse Kuip. Nog steeds is hij onder de indruk van het helse lawaai. De Monegasken bereikten die avond tegen Feyenoord de finale van de (niet meer bestaande) Europacup voor Bekerwinnaars, na een zwaarbevochten gelijkspel (2-2). De eindstrijd ging verloren tegen Werder Bremen.
Woensdag speelt AS Monaco zijn tweede Europese finale. Als Morientes en zijn maten winnen, is de club na Olympique Marseille in 1993 de tweede Franse club die het belangrijkste Europese clubtoernooi wint. In het prinsdom zullen slechts weinigen er wakker van liggen.
Keppeltje onder de pet
Eind vorige maand gingen minister Nicolas Sarkozy van Economie (tot eind maart van Binnenlandse Zaken) en leden van de socialistische fractie bijna op de vuist in het Franse parlement. De minister kwam net terug uit de Verenigde Staten, waar joodse organisaties hem bedankt hadden voor zijn vastberaden strijd tegen het antisemitisme. Dat had mijn socialistische voorganger niet voor elkaar gekregen, zei hij uitdagend: Na vijf jaar links bewind (1997-2002) dacht men in de VS dat Frankrijk een antisemitisch land was. De socialisten reageerden woedend, verhieven zich van de banken en omringden Sarkozy om excuses te eisen, die ze niet kregen.
Of het de schuld is van laks socialistisch optreden of niet, het aantal jaarlijkse anti-joodse daden en bedreigingen is volgens cijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken sinds 2000 sterk gestegen. Daarvoor werden hoogstens twintig antisemitische acties per jaar geregistreerd en gemiddeld honderd bedreigingen. De afgelopen jaren verveelvoudigde dat aantal (zie grafiek). Van alle racistische en xenofobe daden was 72 procent in 2003 gericht tegen joden.
De aard van de anti-joodse acties loopt sterk uiteen: grafschennis met hakenkruizen, zoals begin deze maand op een Isra\ëlitische begraafplaats in de Elzas, een brand op een joodse school eind vorig jaar en vooral dagelijkse pesterijen. Leerlingen noemen hun joodse klasgenoten steeds vaker sale juif (vuile jood), waardoor veel joden zich minder veilig voelen, zelfs in goede buurten. In het chique zesde arrondissement van Parijs schreeuwden kinderen die kreet recentelijk naar een klasgenoot, waarna ze hem omver schopten in een regenplas en riepen: Alle joden moeten worden uitgeroeid. Verder verlieten voetballers in Straatsburg onlangs hun team, omdat hun medespelers joods waren en weigerde een Parijzenaar in een elektronicawinkel de service van een joodse medewerker.
Een vorig jaar opgericht interministerieel comit\é voor de strijd tegen racisme en antisemitisme moet meer geweld voorkomen, vooral door betere voorlichting. Eerder al stelde de regering hogere straffen in voor anti-joods geweld.
Frankrijk kent een lange, veelbewogen geschiedenis van antisemitisme. Rond 1900 was de intellectuele elite en een groot deel van de maatschappij verdeeld in twee kampen, dreyfusards en antidreyfusards: zij die de joodse kapitein in het Franse leger Alfred Dreyfus steunden en overtuigd waren van zijn onschuld, en zij die tegen hem waren, omdat ze dachten dat hij een spion was voor de vijandige Duitse regering. Of simpelweg omdat hij joods was, schuldig of niet. Twaalf jaar na de beschuldiging, onder meer na een vlammend pleidooi van de schrijver Emile Zola (Jaccuse), erkenden de autoriteiten de onschuld van de kapitein.
Het antisemitisme bleef tot de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid, waarna het logischerwijs sterk in invloed afnam. Eind jaren tachtig echter verklaarde Jean-Marie Le Pen van het toen al succesvolle Front National dat de gaskamers een detail van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog waren en opende zo de weg voor de n\égationnistes, de holocaustontkenners.
Frankrijk schrok pas echt wakker in 1990, toen een groep skinheads grafschennis pleegde op een joodse begraafplaats in het zuidelijke Carpentras. Het land toonde zijn walging met een megademonstratie in Parijs, waarin president Fran\çois Mitterrand meeliep.
De Raad voor Joodse Instellingen (CRIF) betreurt dat bij de recente grafschennis geen gelijksoortige verontwaardiging plaatsvond en ziet dat als teken van banalisering van antisemitisme. De huidige opleving is vooral het werk van fundamentalistische moslims. Extreem-rechts nam in 2002 slechts 9 procent van het anti-joodse geweld voor zijn rekening.
Frankrijk heeft zowel de grootste moslimgemeenschap van West-Europa (vier \à vijf miljoen) binnen zijn grenzen als het grootste aantal joden (600 duizend). Veel analisten spreken van de import van het conflict in het Midden-Oosten. De toename van het antisemitische geweld in 2000 valt samen met de verheviging van de strijd tussen Isra\ëli\ërs en Palestijnen. Sommige jongeren van Arabische origine die zich niet ge\ïntegreerd voelen in de Franse samenleving, identificeren zich met de strijd van de onderdrukten, zegt woordvoerder Marc Knobel van de CRIF.
Hoewel beelden van brandende scholen en graven met hakenkruizen veel indruk maken, nam het geweld volgens de cijfers vorig jaar af. Knobel gelooft echter niet in die daling. Hij denkt dat de toegenomen angst veel joden ervan weerhoudt aangifte te doen. Zijn raad heeft een gratis telefoonnummer beschikbaar gesteld voor anonieme klachten, waaruit volgens Knobel blijkt dat het geweld niet afneemt. Slachtoffers denken vaak dat het geen zin heeft naar de politie te gaan, omdat de dader toch niet gepakt wordt, zegt hij. Of ze zijn bang voor represailles. Hij vindt het hoogst symbolisch dat de opperrabbijn van Parijs joodse leerlingen vroeg hun keppeltje te bedekken met een pet voor ze op school zijn, om niet te provoceren.
Ook onder de brede vlag van de antiglobalisten en bij aanhangers van extreemlinks bevinden zich antisemieten. Pierre-Andr\é Taguieff, schrijver van La nouvelle jud\éophobie, zegt in een interview met het weekblad Le Point dat vooral trotskisten, die in Frankrijk redelijk invloedrijk zijn, vatbaar zijn voor de stroming. Zij scharen zich aan de kant van de islam, die zij zien als de religie van de onderdrukten. De oorlog in Irak beschouwen ze als am\éricano-sioniste.
In het verlengde daarvan wijst de filosoof Alain Finkielkraut in het vorig jaar verschenen Au nom de lAutre (In naam van de Ander) op een nieuwe vorm van het antisemitisme, dat niet langer nationalistisch van aard is, maar voortkomt uit antiracisme. Volgens Finkielkraut tolereerden aanvankelijk vooral (extreem-)linkse, maar nu ook rechtse politici, antisemitische moslims, uit politiekcorrecte overwegingen. In die redenering is een moslim volgens de Fransen de engelachtige Ander, die per definitie nooit ongelijk heeft, omdat dat racistisch zou zijn. Dat wil de regering voorgoed veranderen.
Voetbal en maffia
Intro: Moorden, zwartgeldaffaires en een ramp door een ingestorte tribune kenmerken de recente geschiedenis van de Corsicaanse voetbalclub SC Bastia. Gevoetbald wordt er ook, soms niet onverdienstelijk, maar zelfs een finaleplaats in de Franse beker kreeg een donker randje.
Met weemoed denken oude Bastia-supporters terug aan hun team van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. In de lente van 1978 werd in het Corsicaanse stadionnetje met bijna vijftienduizend toeschouwers (de helft van de bevolking) een heuse Europacupfinale gespeeld. De Franse eredivisionist met de Nederlandse sterspeler Johnny Rep in de gelederen speelde 0-0 gelijk tegen PSV, maar verspeelde de Uefa-beker in Eindhoven (3-0). Toch werden de spelers terug op het eiland als helden ontvangen. Drie jaar later veroverden de Corsicanen de enige hoofdprijs uit de clubgeschiedenis: de Franse beker.
Sinds ruim tien jaar komen sportieve prestaties echter steeds vaker op de tweede plaats. De club, nauw verbonden met de Corsicaanse onafhankelijkheidsbeweging en de maffia (vaak lastig van elkaar te onderscheiden), is het toneel van afrekeningen en affaires.
Sinds vorig jaar stelt de Franse justitie alles in het werk om een einde te maken aan de parallelle wereld op het eiland. Na de arrestatie van Charles Pieri en enkele andere nationalistische sleutelfiguren, kwamen steeds meer duistere praktijken aan het licht. De supportersvereniging Testa Mora, genoemd naar het zwarte hoofd op de Corsicaanse vlag dat vroeger groot stond afgedrukt op de clubshirts, eiste onlangs een andere werkwijze en een nieuwe leiding.
Het zwarte hoofdstuk begon al in 1992, toen SC Bastia voor het eerst sinds tien jaar weer eens schitterde en in de halve finale van de Franse beker aan moest treden tegen Olympique Marseille. De clubleiding vond extra inkomsten uit kaartverkoop belangrijker dan de veiligheid van de toeschouwers en liet in \é\én nacht een extra tribune opbouwen. Die stortte vlak voor de aftrap in, wat leidde tot achttien doden en ruim tweeduizend gewonden: de grootste ramp uit de Franse voetbalgeschiedenis.
Een jaar later, zo bleek uit recente verklaringen van oud-clubvoorzitter Fran\çois Nicola\ï, gooide de club het over een andere boeg om aan geld te komen. Hij vertelde hoe de nationalisten hem buiten zijn weten om gebruikten voor een sponsorcontract met de reisorganisatie Nouvelles Fronti\ères. Nadat de nationalisten aanslagen hadden gepleegd op agentschappen van het bedrijf in Parijs, Marseille en op Corsica, stelde Nicola\ï de reisdirecteur voor zijn voetbalclub te sponsoren. Die begreep dat het beter was daarop in te gaan, als hij voortaan rust wenste voor zijn organisatie.
Het kwam niet alleen tot een overeenkomst voor shirtsponsoring (die nog steeds geldt), maar Nouvelles Fronti\ères kocht ook meteen voor 122.000 euro advertentieruimte in U Ribombu, een nationalistisch tijdschrift dat terroristen verheerlijk als goede patriotten. Om daarvan af te komen (toch wel schadelijk voor het imago), moest de reisorganisatie de afgesproken som direct in de partijkas van SC Bastia storten. Nicola\ï zal nog de nodige moeite krijgen om zijn onwetendheid te verklaren.
In dezelfde periode barstte op Corsica een nationalistische broederstrijd uit, waarin de onafhankelijkheidsstrijders het belangrijker achtten elkaar bestreden dan de (in hun ogen) Franse kolonisator. Ook bij de voetbalclub vielen slachtoffers. Een verdediger, betrokken bij een nationalistische beweging, verdween eind 1993 op mysterieuze wijze: na een telefoontje met zijn vriendin is nooit meer iets van hem vernomen. En ex-voorzitter Jean-Fran\çois Filippi, afgetreden na de stadionramp, werd doodgeschoten.
Eind jaren negentig was het even iets rustiger en in 2001 haalde Bastia zowaar opnieuw de finale van de Franse beker. Ge\ïnspireerd door Algerijnse supporters enkele maanden eerder, floten de Corsicanen in de Parijse voetbaltempel Stade de France het Franse volkslied uit. President Jacques Chirac verliet woedend zijn zetel, waar hij pas terugkeerde na excuses van de voorzitter van de voetbalbond. Volgens Didier Rey, die een boek schreef over voetbal en nationalisme op Corsica, was Chiracs reactie overdreven. De supporters zijn volgens hem geen overtuigde onafhankelijkheidsstrijders, maar lieten zich deze gemakkelijke kans tot provocatie niet ontgaan. Bastia verloor de finale overigens van het zwakke Lorient, dat vlak daarvoor uit de Franse eredivisie degradeerde.
De afgelopen twee jaar ging het opnieuw fout. Eerst sloot de club in 2002 een dubieus contract met een schoonmaakbedrijf. Justitie vermoedt dat het bedrijf zijn werk niet heeft uitgevoerd en vraagt zich af wat de echte bestemming is van de 25000 euro die het ontving.
Bovendien stellen de rechters in Parijs grote vraagtekens bij de overname van middenvelder Micka\ël Essien door Olympique Lyon. Pieri, die bij zijn arrestatie een grote som geld op zak had, bemoeide zich er persoonlijk mee. Het tijdschrift LExpress suggereert dat hij mogelijk een deel van de commissie op de transfersom opeiste.
Terwijl op de clubsite met geen woord gerept wordt over de problemen, gaan de wedstrijden in het stadion Armand-Cesari gewoon verder. Sinds december al staan de Corsicanen stabiel op de dertiende plaats, redelijk ver van de degradatiezone, en in maart boekten ze een succesje door Olympique Marseille met 4-1 te verslaan. Het verhult de malaise niet: het toeschouwersaantal (maximaal zesduizend) neemt af en de supporters van Testa Mora waarschuwen de leiding dat het voortbestaan van hun club op het spel staat, als het roer niet snel omgaat.